afscheid
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɑfsxɛitBetekenis
- een begroeting bij het elkaar verlaten
Hoe spreek je afscheid uit?
/ˈɑfsxɛit/
Afscheid bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afscheidje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afscheidjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afscheiden
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich afscheiden
Vervoeging van afscheid
afscheidhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘het scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1450
Woordfamilie van afscheid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afscheidje | verkleinwoord | afscheid |
| afscheidjes | verkleinwoord meervoud | afscheid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afscheid zijn vastgelegd.