zwengelen
werkwoordBetekenis
- (laten) slingeren
- aan een zwengel draaien
- braken van vlas, d.w.z. de aanhangende houtdeeltjes met een zwengel verwijderen
werkwoord
- slingeren
Vervoeging van zwengelen
zwengelenhele werkwoord — zwengeldeverleden tijd enkelvoud — zwengeldenverleden tijd meervoud — gezwengeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwengel | zwengelde |
| jij | zwengelt | zwengelde |
| hij, zij, het | zwengelt | zwengelde |
| wij | zwengelen | zwengelden |
| jullie | zwengelen | zwengelden |
| zij | zwengelen | zwengelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwengeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezwengeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwengeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwengel | gebiedende wijs |
| zwengelde | verleden tijd |
| zwengele | aanvoegende wijs |
| zwengelend | onvoltooid, deelwoord |
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands swenghelen, swinghelen, aangetroffen vanaf 1494.
Woordfamilie van zwengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwengeld | voltooid deelwoord | zwengelen |
| zwengelde | verleden tijd | zwengelen |
| zwengelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwengelen |
| zwengele | aanvoegende wijs | zwengelen |
| zwengelend | onvoltooid deelwoord | zwengelen |
| zwengelende | woordvorm | zwengelen |
| zwengelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwengelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwengelen zijn vastgelegd.