Naar de inhoud

zwengelen

(laten) slingeren

zwengelen

werkwoord

Betekenis

  1. (laten) slingeren
  2. aan een zwengel draaien
  3. braken van vlas, d.w.z. de aanhangende houtdeeltjes met een zwengel verwijderen

werkwoord

  1. slingeren

Vervoeging van zwengelen

zwengelenhele werkwoord — zwengeldeverleden tijd enkelvoud — zwengeldenverleden tijd meervoud — gezwengeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zwengel zwengelde
jij zwengelt zwengelde
hij, zij, het zwengelt zwengelde
wij zwengelen zwengelden
jullie zwengelen zwengelden
zij zwengelen zwengelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gezwengeld verleden tijd, deelwoord
gezwengeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezwengeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezwengeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezwengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezwengeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezwengeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezwengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezwengeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezwengeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezwengeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezwengeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezwengeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zwengelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
te zwengelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
zal gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezwengeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zwengelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezwengeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zwengelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zwengel gebiedende wijs
zwengelde verleden tijd
zwengele aanvoegende wijs
zwengelend onvoltooid, deelwoord

Herkomst

Ontwikkeld uit Middelnederlands swenghelen, swinghelen, aangetroffen vanaf 1494.

Woordfamilie van zwengelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezwengeld voltooid deelwoord zwengelen
zwengelde verleden tijd zwengelen
zwengelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zwengelen
zwengele aanvoegende wijs zwengelen
zwengelend onvoltooid deelwoord zwengelen
zwengelende woordvorm zwengelen
zwengelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zwengelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwengelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over zwengelen

Wat is de betekenis van zwengelen?
Zwengelen is een werkwoord. De betekenis is: (laten) slingeren. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zwengelen?
Zo vervoeg je zwengelen zo: de tegenwoordige tijd is zwengel, de verleden tijd is zwengelde en het voltooid deelwoord is gezwengeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zwengelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. W 5
  3. E 1
  4. N 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zwengelen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. W 5
  3. E 1
  4. N 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zwengelen in het kort

zwengelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zwengelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zwengelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zwengelen: (laten) slingeren
Deel zwengelen — standaardnederlands.nl