aanzwengelen
werkwoordBetekenis
- op gang brengen, stimuleren
Vervoeging van aanzwengelen
aanzwengelenhele werkwoord — zwengelde aanverleden tijd enkelvoud — zwengelden aanverleden tijd meervoud — aangezwengeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwengel aan | zwengelde aan |
| jij | zwengelt aan | zwengelde aan |
| hij, zij, het | zwengelt aan | zwengelde aan |
| wij | zwengelen aan | zwengelden aan |
| jullie | zwengelen aan | zwengelden aan |
| zij | zwengelen aan | zwengelden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te zullen zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan te zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan zal zwengelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou zwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden zwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt zwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen zwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen zwengelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult zwengelen | bijzin, toekomende tijd |
| aangezwengeld | verleden tijd, deelwoord |
| aangezwengeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangezwengeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangezwengeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezwengeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezwengeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangezwengeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangezwengeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangezwengeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangezwengeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangezwengeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanzwengel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanzwengelde | bijzin, verleden tijd |
| aanzwengelden | bijzin, verleden tijd |
| aanzwengelend | onvoltooid, deelwoord |
| aanzwengelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangezwengeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangezwengeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangezwengeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangezwengeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangezwengeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangezwengeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangezwengeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangezwengeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezwengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangezwengeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanzwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangezwengeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangezwengeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanzwengelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangezwengeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanzwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanzwengelen aan zou(dt) zwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanzwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangezwengeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangezwengeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanzwengelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanzwengelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanzwengelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanzwengelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangezwengeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangezwengeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aangezwengeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan en zwengelen
Woordfamilie van aanzwengelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangezwengeld | voltooid deelwoord | aanzwengelen |
| aangezwengelde | woordvorm | aanzwengelen |
| aanzwengel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanzwengelen |
| aanzwengelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanzwengelen |
| aanzwengelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanzwengelen |
| aanzwengele | with-subordinate-clause | aanzwengelen |
| aanzwengelend | onvoltooid deelwoord | aanzwengelen |
| aanzwengelende | woordvorm | aanzwengelen |
| aanzwengelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanzwengelen |
| zwengel aan | gebiedende wijs | aanzwengelen |
| zwengelde aan | verleden tijd | aanzwengelen |
| zwengelden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanzwengelen |
| zwengele aan | woordvorm | aanzwengelen |
| zwengelen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanzwengelen |
| zwengelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanzwengelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanzwengelen zijn vastgelegd.