zwengel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- arm van een hefboom die op en neer of in het rond wordt bewogen, bijv. bij een pomp
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwengels | meervoud |
| zwengeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwengeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwengelen
- gebiedende wijs van zwengelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwengelen
Vervoeging van zwengel
zwengelhele werkwoord
Herkomst
erfwoord Ontwikkeld uit Middelnederlands swengel, swingel, uit Germaans *swangila- , in de betekenis van “beweegbaar deel van een constructie of werktuig” voor het eerst aangetroffen in het jaar 1371.
Woordfamilie van zwengel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwengels | meervoud | zwengel |
| zwengeltje | verkleinwoord | zwengel |
| zwengeltjes | verkleinwoord meervoud | zwengel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwengel zijn vastgelegd.