zorg
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈzɔrᵊxBetekenis
- behoedzame overweging
- verpleging, voorzien in een behoefte
- het geheel aan medische voorzieningen in een bepaald land of gebied
Hoe spreek je zorg uit?
/ˈzɔrəx/
Zorg bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- ongeruste overweging
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zorgen | meervoud |
| zorgje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zorgjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zorgen
- gebiedende wijs van zorgen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zorgen
Vervoeging van zorg
zorghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘toewijding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van zorg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zorgje | verkleinwoord | zorg |
| zorgjes | verkleinwoord meervoud | zorg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zorg zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- bezorgen
- onzorgvuldig
- verzorgen
- woon-zorgcentrum
- woon-zorgcomplex
- zorg dragen
- zorgaanbieder
- zorgaanbod
- zorgadministratie
- zorgarbeid
- zorgbarend
- zorgbehoefte
- zorgbehoevend
- zorgbeleid
- zorgboerderij
- zorgbreedte
- zorgbudget
- zorgcentrum
- zorgcircuit
- zorgcoördinator
- zorgdifferentiatie
- zorgdragend
- zorgelijk
- zorgeloos