| draag zorg |
gebiedende wijs
|
| droeg zorg |
verleden tijd
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| had zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt zorg gedragen |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben zorg gedragen |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft zorg gedragen |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te hebben zorg gedragen |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen zorg dragen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zal zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zal zorg dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zal zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zorg dragend |
onvoltooid, deelwoord
|
| zorg gedragen |
verleden tijd, deelwoord
|
| zorg gedragen te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zorg gedragen zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zorg te dragen |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| zorg te zullen dragen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| zorg zal dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zorg zou dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zorg zouden dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zorg zoudt dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zorg zullen dragen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zorg zullen dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zorg zult dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zorgdraag |
bijzin, tegenwoordige tijd
|
| zorgdraagt |
bijzin, tegenwoordige tijd
|
| zorgdragen |
bijzin, tegenwoordige tijd
|
| zorgdroeg |
bijzin, verleden tijd
|
| zorgdroegen |
bijzin, verleden tijd
|
| zorgdroegt |
bijzin, verleden tijd
|
| zou zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zou zorg dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zou zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou(dt) zorg dragen
zorg zou(dt) dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zouden zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zouden zorg dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zouden zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zoudt zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zoudt zorg dragen |
bijzin, voorwaardelijk
|
| zoudt zorg gedragen hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zullen zorg dragen |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zullen zorg dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zullen zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zult zorg dragen |
aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zult zorg dragen |
bijzin, toekomende tijd
|
| zult zorg gedragen hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult/zal zorg dragen
zorg zult/zal dragen |
bijzin, toekomende tijd
|