zelfbeheersing
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het in bedwang houden van eigen gevoelens, zoals emoties of kwaadheid.
- de beheersing van het eigen gedrag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zelfbeheersingen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘het in toom houden van zijn gevoelens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1801
Woordfamilie van zelfbeheersing
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zelfbeheersingen | meervoud | zelfbeheersing |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zelfbeheersing zijn vastgelegd.