zaaien
werkwoordBetekenis
- zaad strooien
- veroorzaken of teweegbrengen
Vervoeging van zaaien
zaaienhele werkwoord — zaaideverleden tijd enkelvoud — zaaidenverleden tijd meervoud — gezaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zaai | zaaide |
| jij | zaait | zaaide |
| hij, zij, het | zaait | zaaide |
| wij | zaaien | zaaiden |
| jullie | zaaien | zaaiden |
| zij | zaaien | zaaiden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gezaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezaaid | verleden tijd, deelwoord |
| gezaaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezaaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezaaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezaaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezaaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezaaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezaaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezaaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zaaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gezaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zaai | gebiedende wijs |
| zaaide | verleden tijd |
| zaaie | aanvoegende wijs |
| zaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zaaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zaad strooien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezaaid | voltooid deelwoord | zaaien |
| gezaaide | woordvorm | zaaien |
| zaai | gebiedende wijs | zaaien |
| zaaide | verleden tijd | zaaien |
| zaaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zaaien |
| zaaie | aanvoegende wijs | zaaien |
| zaaiend | onvoltooid deelwoord | zaaien |
| zaaiende | woordvorm | zaaien |
| zaait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zaaien zijn vastgelegd.