wortel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈʋɔrtəl/Betekenis
- het ondergrondse gedeelte van een plant of boom
- een getal gezien in zijn verhouding tot het getal van zijn tweede macht, derde macht, enz
- radix, de kleinste betekenisvolle eenheid in een taal, ontdaan van alle afhankelijke, morfeem|betekenisdragende elementen, zoals klinkerwisseling, voorvoegsel|voor- en achtervoegsel|achtervoegsels, invoegsel|invoegsels en uitgang|uitgangen.
- inplanting of dat waaruit iets ontspringt
Hoe spreek je wortel uit?
/ˈwɔrtəl/
Wortel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de eetbare wortel van de peen Daucus carota
- het onderste, meestal in de grond doordringend gedeelte van een plant dat hem hold geeft en voedsel en water uit de bodem opneemt
- radix, de kleinste betekenisvolle eenheid in een taal, ontdaan van alle afhankelijke, betekenisdragende elementen, zoals klinkerwisseling, voor- en achtervoegsels, invoegsels en uitgangen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wortels | enkelvoud |
| worteltje | verkleinwoord |
| worteltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wortelen
- gebiedende wijs van wortelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wortelen
Vervoeging van wortel
wortelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘in de wiskunde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445
Woordfamilie van wortel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wortels | enkelvoud | wortel |
| worteltje | verkleinwoord | wortel |
| worteltjes | verkleinwoord | wortel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wortel zijn vastgelegd.