wortelen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈwɔrtələ(n)Betekenis
- wortel schieten
- verankerd zijn, ingeburgerd zijn, zijn oorsprong vinden
Hoe spreek je wortelen uit?
/ˈwɔrtələn/
Wortelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van wortelen
wortelenhele werkwoord — worteldeverleden tijd enkelvoud — worteldenverleden tijd meervoud — geworteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wortel | wortelde |
| jij | wortelt | wortelde |
| hij, zij, het | wortelt | wortelde |
| wij | wortelen | wortelden |
| jullie | wortelen | wortelden |
| zij | wortelen | wortelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geworteld | verleden tijd, deelwoord |
| geworteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geworteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geworteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geworteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geworteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geworteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geworteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geworteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geworteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geworteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geworteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geworteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wortelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wortelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wortel | gebiedende wijs |
| wortelde | verleden tijd |
| wortele | aanvoegende wijs |
| wortelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geworteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wortelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geworteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wortelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wortel
Herkomst
ww: afgeleid van wortel zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van wortelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wortelde | verleden tijd | wortelen |
| wortelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wortelen |
| wortele | aanvoegende wijs | wortelen |
| wortelend | onvoltooid deelwoord | wortelen |
| wortelende | woordvorm | wortelen |
| wortelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wortelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wortelen zijn vastgelegd.