winter
zelfstandig naamwoord /ʋɪntər/Betekenis
- het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september
Hoe spreek je winter uit?
/wɪntər/
Winter bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| winters | meervoud |
| wintertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wintertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands winter van Oudnederlands winter, in de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in 1050 De verdere herkomst is onzeker. Het woord wordt wel in verband gebracht met water of met het Oudiers finn "wit", het natte of witte jaargetijde dus.
Woordfamilie van winter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wintertje | verkleinwoord | winter |
| wintertjes | verkleinwoord meervoud | winter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winter zijn vastgelegd.