winterslaap
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
zelfstandig naamwoord — masculine
- een toestand van inactiviteit bij sommige organismen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| winterslaapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| winterslaapjes | verkleinwoord, meervoud |
| winterslapen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van winter en slaap
Woordfamilie van winterslaap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| winterslaapje | verkleinwoord | winterslaap |
| winterslaapjes | verkleinwoord meervoud | winterslaap |
| winterslapen | meervoud | winterslaap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winterslaap zijn vastgelegd.