wennen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- gewoon worden, vertrouwd raken
- vetrouwd maken
Vervoeging van wennen
wennenhele werkwoord — wendeverleden tijd enkelvoud — wendenverleden tijd meervoud — gewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wen | wende |
| jij | went | wende |
| hij, zij, het | went | wende |
| wij | wennen | wenden |
| jullie | wennen | wenden |
| zij | wennen | wenden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewend | verleden tijd, deelwoord |
| gewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wennen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wen | gebiedende wijs |
| wende | verleden tijd |
| wenne | aanvoegende wijs |
| wennend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wen
Herkomst
In de betekenis van ‘gewoon raken’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van wennen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wenne | aanvoegende wijs | wennen |
| wennend | onvoltooid deelwoord | wennen |
| wennende | woordvorm | wennen |
| went | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wennen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wennen zijn vastgelegd.