wen
zelfstandig naamwoord, voegwoord, werkwoordBetekenis
- wie (als lijdend voorwerp)
- wanneer
- als, wanneer
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- onderhuids gezwel veroorzaakt door verstopping van een talgklier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wennen | meervoud |
| wennetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wennetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wennen
- gebiedende wijs van wennen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wennen
Vervoeging van wen
wenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘op welke tijd; als, indien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420.
Woordfamilie van wen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wennetje | verkleinwoord | wen |
| wennetjes | verkleinwoord meervoud | wen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wen zijn vastgelegd.