voortvloeien
werkwoordBetekenis
- verder vloeien of stromen
- resulteren
Vervoeging van voortvloeien
voortvloeienhele werkwoord — vloeide voortverleden tijd enkelvoud — vloeiden voortverleden tijd meervoud — voortgevloeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vloei voort | vloeide voort |
| jij | vloeit voort | vloeide voort |
| hij, zij, het | vloeit voort | vloeide voort |
| wij | vloeien voort | vloeiden voort |
| jullie | vloeien voort | vloeiden voort |
| zij | vloeien voort | vloeiden voort |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voortgevloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voortvloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vloei voort | gebiedende wijs |
| vloeide voort | verleden tijd |
| voort te vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voort te zullen vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort zal vloeien | bijzin, toekomende tijd |
| voort zou vloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zouden vloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zoudt vloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zullen vloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voort zullen vloeien | bijzin, toekomende tijd |
| voort zult vloeien | bijzin, toekomende tijd |
| voortgevloeid | verleden tijd, deelwoord |
| voortgevloeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgevloeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortvloei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortvloeide | bijzin, verleden tijd |
| voortvloeiden | bijzin, verleden tijd |
| voortvloeiend | onvoltooid, deelwoord |
| voortvloeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voortgevloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voortvloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voortgevloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voortgevloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voortvloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voortvloeien voort zou(dt) vloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voortvloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voortgevloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voortvloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortvloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voortvloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult voortgevloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voortvloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voortvloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voortvloeien voort zult/zal vloeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voort en vloeien
Woordfamilie van voortvloeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vloei voort | gebiedende wijs | voortvloeien |
| vloeide voort | verleden tijd | voortvloeien |
| vloeiden voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voortvloeien |
| vloeie voort | woordvorm | voortvloeien |
| vloeien voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voortvloeien |
| vloeit voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voortvloeien |
| voortgevloeid | voltooid deelwoord | voortvloeien |
| voortvloei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortvloeien |
| voortvloeide | subordinate-clause, verleden tijd | voortvloeien |
| voortvloeiden | subordinate-clause, verleden tijd | voortvloeien |
| voortvloeie | with-subordinate-clause | voortvloeien |
| voortvloeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortvloeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voortvloeien zijn vastgelegd.