voortkomen
werkwoordBetekenis
- ergens zijn oorsprong in vinden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van voortkomen
voortkomenhele werkwoord — kwam voortverleden tijd enkelvoud — kwamen voortverleden tijd meervoud — voortgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom voort | kwam voort |
| jij | komt voort | kwaamt voort |
| hij, zij, het | komt voort | kwam voort |
| wij | komen voort | kwamen voort |
| jullie | komen voort | kwamen voort |
| zij | komen voort | kwamen voort |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom voort | gebiedende wijs |
| kwam voort | verleden tijd |
| te zijn voortgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voortkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voort te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voort zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| voort zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| voort zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voort zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| voort zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| voortgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| voortgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voortgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voortkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortkomend | onvoltooid, deelwoord |
| voortkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voortkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| voortkwam | bijzin, verleden tijd |
| voortkwamen | bijzin, verleden tijd |
| waart voortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voortgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voortgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voortgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voortgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voortgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voortgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voortkomen voort zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voortgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voortkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voortkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voortgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voortkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voortkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voortkomen voort zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voort en komen
Woordfamilie van voortkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom voort | gebiedende wijs | voortkomen |
| kome voort | woordvorm | voortkomen |
| komen voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voortkomen |
| komt voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voortkomen |
| kwam voort | verleden tijd | voortkomen |
| kwamen voort | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voortkomen |
| voortgekomen | voltooid deelwoord | voortkomen |
| voortkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortkomen |
| voortkome | with-subordinate-clause | voortkomen |
| voortkomend | onvoltooid deelwoord | voortkomen |
| voortkomende | woordvorm | voortkomen |
| voortkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voortkomen |
| voortkwam | subordinate-clause, verleden tijd | voortkomen |
| voortkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | voortkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voortkomen zijn vastgelegd.