Naar de inhoud

voortspruiten

voortkomen, voortvloeien

voortspruiten

werkwoord

Betekenis

  1. voortkomen, voortvloeien

Vervoeging van voortspruiten

voortspruitenhele werkwoord — sproot voortverleden tijd enkelvoud — sproten voortverleden tijd meervoud — voortgesprotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spruit voort sproot voort
jij spruit voort sproot voort
hij, zij, het spruit voort sproot voort
wij spruiten voort sproten voort
jullie spruiten voort sproten voort
zij spruiten voort sproten voort
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sproot voort verleden tijd
spruit voort gebiedende wijs
te zijn voortgesproten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voortspruiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voort te spruiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voort te zullen spruiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voort zal spruiten bijzin, toekomende tijd
voort zou spruiten bijzin, voorwaardelijk
voort zouden spruiten bijzin, voorwaardelijk
voort zoudt spruiten bijzin, voorwaardelijk
voort zullen spruiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voort zullen spruiten bijzin, toekomende tijd
voort zult spruiten bijzin, toekomende tijd
voortgesproten verleden tijd, deelwoord
voortgesproten te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voortgesproten zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voortsproot bijzin, verleden tijd
voortsproten bijzin, verleden tijd
voortspruit bijzin, tegenwoordige tijd
voortspruitend onvoltooid, deelwoord
waart voortgesproten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voortgesproten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voortgesproten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voortgesproten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voortgesproten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voortgesproten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voortgesproten voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voortspruiten bijzin, toekomende tijd
zijn voortgesproten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voortgesproten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voortspruiten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voortspruiten voort zou(dt) spruiten bijzin, voorwaardelijk
zouden voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voortspruiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt voortgesproten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voortspruiten bijzin, voorwaardelijk
zullen voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voortspruiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voortspruiten bijzin, toekomende tijd
zult voortgesproten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voortspruiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voortspruiten bijzin, toekomende tijd
zult/zal voortspruiten voort zult/zal spruiten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voort en spruiten

Woordfamilie van voortspruiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sproot voort verleden tijd voortspruiten
sproten voort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voortspruiten
spruit voort gebiedende wijs voortspruiten
spruite voort woordvorm voortspruiten
spruiten voort aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voortspruiten
voortgesproten voltooid deelwoord voortspruiten
voortsproot subordinate-clause, verleden tijd voortspruiten
voortsproten subordinate-clause, verleden tijd voortspruiten
voortspruit subordinate-clause, tegenwoordige tijd voortspruiten
voortspruite with-subordinate-clause voortspruiten
voortspruitend onvoltooid deelwoord voortspruiten
voortspruitende woordvorm voortspruiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voortspruiten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over voortspruiten

Wat is de betekenis van voortspruiten?
Voortspruiten is een werkwoord. De betekenis is: voortkomen, voortvloeien.
Hoe vervoeg ik voortspruiten?
Zo vervoeg je voortspruiten zo: het voltooid deelwoord is voortgesproten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voortspruiten is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 3
  8. R 2
  9. U 4
  10. I 1
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voortspruiten levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 4
  8. R 2
  9. U 2
  10. I 2
  11. T 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 26 zonder bonus
  15. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voortspruiten in het kort

voortspruiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voortspruiten staan er 44 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voortspruiten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voortspruiten: voortkomen, voortvloeien
Deel voortspruiten — standaardnederlands.nl