visiteren
werkwoordBetekenis
- ter plaatse of aan den lijve onderzoeken op smokkelwaar b.v. fouilleren
- onderzoeken op deugdelijkheid
Vervoeging van visiteren
visiterenhele werkwoord — visiteerdeverleden tijd enkelvoud — visiteerdenverleden tijd meervoud — gevisiteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | visiteer | visiteerde |
| jij | visiteert | visiteerde |
| hij, zij, het | visiteert | visiteerde |
| wij | visiteren | visiteerden |
| jullie | visiteren | visiteerden |
| zij | visiteren | visiteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevisiteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevisiteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevisiteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevisiteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevisiteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevisiteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevisiteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevisiteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevisiteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevisiteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevisiteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevisiteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevisiteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevisiteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevisiteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevisiteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevisiteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevisiteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevisiteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevisiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevisiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te visiteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen visiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| visiteer | gebiedende wijs |
| visiteerde | verleden tijd |
| visitere | aanvoegende wijs |
| visiterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevisiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevisiteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevisiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevisiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevisiteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen visiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevisiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevisiteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevisiteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult visiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bezoeken, onderzoeken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van visiteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevisiteerd | voltooid deelwoord | visiteren |
| gevisiteerde | woordvorm | visiteren |
| visiteer | gebiedende wijs | visiteren |
| visiteerde | verleden tijd | visiteren |
| visiteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | visiteren |
| visiteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | visiteren |
| visitere | aanvoegende wijs | visiteren |
| visiterend | onvoltooid deelwoord | visiteren |
| visiterende | woordvorm | visiteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van visiteren zijn vastgelegd.