vijl
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
- gemeen, boosaardig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vijlen | meervoud |
| vijltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vijltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijlen
- gebiedende wijs van vijlen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijlen
Vervoeging van vijl
vijlhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘slijpwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vijl
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vijltje | verkleinwoord | vijl |
| vijltjes | verkleinwoord meervoud | vijl |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vijl zijn vastgelegd.