Naar de inhoud

vijlen

met een vijl werken

vijlen is meer dan één woord

vijlen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. met een vijl werken

Vervoeging van vijlen

vijlenhele werkwoord — vijldeverleden tijd enkelvoud — vijldenverleden tijd meervoud — gevijldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vijl vijlde
jij vijlt vijlde
hij, zij, het vijlt vijlde
wij vijlen vijlden
jullie vijlen vijlden
zij vijlen vijlden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gevijld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevijld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevijld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevijld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevijld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevijld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevijld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevijld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevijld verleden tijd, deelwoord
gevijld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevijld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevijld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevijld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevijld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevijld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevijld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevijld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevijld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevijld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevijld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevijld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevijld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevijld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevijld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevijld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevijld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevijld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevijld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vijlen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vijlen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vijl gebiedende wijs
vijlde verleden tijd
vijle aanvoegende wijs
vijlend onvoltooid, deelwoord
waren gevijld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevijld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevijld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gevijld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gevijld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevijld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevijld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevijld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gevijld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevijld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevijld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevijld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevijld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevijld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vijlen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevijld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevijld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vijlen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevijld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vijlen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord vijl

Woordfamilie van vijlen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevijld voltooid deelwoord vijlen
gevijlde woordvorm vijlen
vijlde verleden tijd vijlen
vijlden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vijlen
vijlend onvoltooid deelwoord vijlen
vijlende woordvorm vijlen
vijlt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vijlen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vijlen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vijlen

Wat betekent vijlen?
Vijlen is een werkwoord. Het woord betekent: met een vijl werken.
Hoe vervoeg je vijlen?
Je vervoegt vijlen als volgt: de tegenwoordige tijd is vijl, de verleden tijd is vijlde en het voltooid deelwoord is gevijld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vijlen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. I 1
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vijlen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 zonder bonus
  8. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vijlen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

vijlen in het kort

vijlen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van vijlen zijn 65 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vijlen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vijlen: met een vijl werken
Deel vijlen — standaardnederlands.nl