rasp
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
- een keukengereedschap voor het fijn maken van kaas, nootmuskaat, citrusschil e.d
- raspsel
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een stuk keukengereedschap voor het fijnmaken van kaas, nootmuskaat, citrusschil e.d.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| raspen | meervoud |
| raspje | verkleinwoord, enkelvoud |
| raspjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raspen
- gebiedende wijs van raspen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raspen
Vervoeging van rasp
rasphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vijl’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van rasp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| raspje | verkleinwoord | rasp |
| raspjes | verkleinwoord meervoud | rasp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rasp zijn vastgelegd.