verbeelden
werkwoord vərˈbeldə(n)Betekenis
- kunstzinnig weergeven
- een weergave zijn van
- zich ~: in gedachten een beeld van iets vormen
- zich ~: een ongerechtvaardigd hoge dunk van zichzelf hebben
Hoe spreek je verbeelden uit?
/vərˈbeldən/
Verbeelden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| e | veel |
| l | land |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verbeelden
verbeeldenhele werkwoord — verbeelddeverleden tijd enkelvoud — verbeelddenverleden tijd meervoud — verbeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbeeld | verbeeldde |
| jij | verbeeldt | verbeeldde |
| hij, zij, het | verbeeldt | verbeeldde |
| wij | verbeelden | verbeeldden |
| jullie | verbeelden | verbeeldden |
| zij | verbeelden | verbeeldden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbeelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbeelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeeld | gebiedende wijs |
| verbeeld | verleden tijd, deelwoord |
| verbeeld me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbeeld u/je , verbeeldt je | gebiedende wijs |
| verbeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbeeldde | verleden tijd |
| verbeeldde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbeeldde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbeeldde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbeeldde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbeeldde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbeeldde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbeeldde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbeeldden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbeeldden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbeeldden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbeelde | aanvoegende wijs |
| verbeelde zich | aanvoegende wijs |
| verbeelden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbeelden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbeelden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbeeldend | onvoltooid, deelwoord |
| verbeeldt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbeeldt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbeeldt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbeeldt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbeeldt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbeeldt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbeelden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verbeelden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbeelden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbeeld hebben | verleden tijd |
| zich verbeeldend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verbeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbeelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verbeelden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbeelden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van beeld met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verbeelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbeeld | voltooid deelwoord | verbeelden |
| verbeeldde | verleden tijd | verbeelden |
| verbeeldden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbeelden |
| verbeeldend | onvoltooid deelwoord | verbeelden |
| verbeeldende | woordvorm | verbeelden |
| verbeeldt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbeelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbeelden zijn vastgelegd.