uitvaren
werkwoord ˈœytfarə(n)Betekenis
- met een vaartuig een nauw water, zoals een haven verlaten
- zijn zelfbeheersing verliezen en meer zeggen dan verstandig is
- arch. een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden
Hoe spreek je uitvaren uit?
/ˈœytfarən/
Uitvaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- archaïsch een uitvaart houden, naar het graf vervoerd worden
Vervoeging van uitvaren
uitvarenhele werkwoord — voer uitverleden tijd enkelvoud — voeren uitverleden tijd meervoud — uitgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar uit | voer uit |
| jij | vaart uit | voer uit |
| hij, zij, het | vaart uit | voer uit |
| wij | varen uit | voeren uit |
| jullie | varen uit | voeren uit |
| zij | varen uit | voeren uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvarend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvoer | bijzin, verleden tijd |
| uitvoeren | bijzin, verleden tijd |
| vaar uit | gebiedende wijs |
| voer uit | verleden tijd |
| waart uitgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvaren uit zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitvaren uit zult/zal varen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en varen ww
Woordfamilie van uitvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevaren | voltooid deelwoord | uitvaren |
| uitvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvaren |
| uitvare | with-subordinate-clause | uitvaren |
| uitvarend | onvoltooid deelwoord | uitvaren |
| uitvarende | woordvorm | uitvaren |
| vaar uit | gebiedende wijs | uitvaren |
| vaart uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvaren |
| vare uit | woordvorm | uitvaren |
| varen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvaren zijn vastgelegd.