uitvechten
werkwoordBetekenis
- door te vechten tot een beslissing komen
Vervoeging van uitvechten
uitvechtenhele werkwoord — vocht uitverleden tijd enkelvoud — vochten uitverleden tijd meervoud — uitgevochtenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vecht uit | vocht uit |
| jij | vecht uit | vocht uit |
| hij, zij, het | vecht uit | vocht uit |
| wij | vechten uit | vochten uit |
| jullie | vechten uit | vochten uit |
| zij | vechten uit | vochten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgevochten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgevochten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgevochten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgevochten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevochten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevochten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgevochten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgevochten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevochten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vechten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vechten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vechten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevochten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevochten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevochten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevochten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevochten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevochten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevochten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevochten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevochten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevochten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevochten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvecht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvechtend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvocht | bijzin, verleden tijd |
| uitvochten | bijzin, verleden tijd |
| vecht uit | gebiedende wijs |
| vocht uit | verleden tijd |
| waart uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgevochten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgevochten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgevochten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgevochten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgevochten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevochten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvechten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgevochten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvechten uit zou(dt) vechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevochten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevochten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvechten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevochten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevochten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevochten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvechten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvechten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevochten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgevochten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en vechten
Woordfamilie van uitvechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevochten | voltooid deelwoord | uitvechten |
| uitvecht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvechten |
| uitvechte | with-subordinate-clause | uitvechten |
| uitvechtend | onvoltooid deelwoord | uitvechten |
| uitvechtende | woordvorm | uitvechten |
| uitvocht | subordinate-clause, verleden tijd | uitvechten |
| uitvochten | subordinate-clause, verleden tijd | uitvechten |
| vecht uit | gebiedende wijs | uitvechten |
| vechte uit | woordvorm | uitvechten |
| vechten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvechten |
| vocht uit | verleden tijd | uitvechten |
| vochten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvechten zijn vastgelegd.