Naar de inhoud

uitstoten

uit een groep doen weggaan

uitstoten is meer dan één woord

uitstoten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytstotə(n)

Betekenis

  1. uit een groep doen weggaan
  2. in het milieu vrijlaten
  3. uiten

Hoe spreek je uitstoten uit?

/ˈœytstotən/

Uitstoten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytstotən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
o boot
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitstoten

uitstotenhele werkwoord — stiet uitverleden tijd enkelvoud — stieten uitverleden tijd meervoud — uitgestotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stoot uit stiet uit
jij stoot uit stiet uit
hij, zij, het stoot uit stiet uit
wij stoten uit stieten uit
jullie stoten uit stieten uit
zij stoten uit stieten uit
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgestoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgestoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgestoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgestoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgestoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgestoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgestoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgestoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stiet uit verleden tijd
stoot uit gebiedende wijs
stootte uit verleden tijd
te hebben uitgestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te stoten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal stoten bijzin, toekomende tijd
uit zou stoten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden stoten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt stoten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen stoten bijzin, toekomende tijd
uit zult stoten bijzin, toekomende tijd
uitgestoten verleden tijd, deelwoord
uitgestoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitstiet bijzin, verleden tijd
uitstieten bijzin, verleden tijd
uitstoot bijzin, tegenwoordige tijd
uitstootte bijzin, verleden tijd
uitstootten bijzin, verleden tijd
uitstotend onvoltooid, deelwoord
waart uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstoten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstoten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstoten uit zou(dt) stoten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstoten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstoten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitstoot

Herkomst

samenstelling van uit bw en stoten ww

Woordfamilie van uitstoten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stiet uit verleden tijd uitstoten
stieten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstoten
stoot uit gebiedende wijs uitstoten
stootte uit verleden tijd uitstoten
stootten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstoten
stote uit woordvorm uitstoten
stoten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstoten
uitgestoten voltooid deelwoord uitstoten
uitstiet subordinate-clause, verleden tijd uitstoten
uitstieten subordinate-clause, verleden tijd uitstoten
uitstootte subordinate-clause, verleden tijd uitstoten
uitstootten subordinate-clause, verleden tijd uitstoten
uitstote with-subordinate-clause uitstoten
uitstotend onvoltooid deelwoord uitstoten
uitstotende woordvorm uitstoten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstoten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitstoten

Hoe spreek je uitstoten uit?
De uitspraak van uitstoten is: /ˈœytstotə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitstoten?
Uitstoten is een werkwoord. Het woord betekent: uit een groep doen weggaan. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitstoten?
Je vervoegt uitstoten als volgt: het voltooid deelwoord is uitgestoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstoten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. O 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstoten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. O 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstoten in het kort

uitstoten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitstoten zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitstoten bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitstoten: uit een groep doen weggaan
Deel uitstoten — standaardnederlands.nl