Naar de inhoud

uitslijpen

door middel van slijpen een vorm ergens uit krijgen.

uitslijpen

werkwoord

Betekenis

  1. door middel van slijpen een vorm ergens uit krijgen.

Vervoeging van uitslijpen

uitslijpenhele werkwoord — sleep uitverleden tijd enkelvoud — slepen uitverleden tijd meervoud — uitgeslepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik slijp uit sleep uit
jij slijpt uit sleep uit
hij, zij, het slijpt uit sleep uit
wij slijpen uit slepen uit
jullie slijpen uit slepen uit
zij slijpen uit slepen uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeslepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeslepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeslepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeslepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeslepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep uit verleden tijd
slijp uit gebiedende wijs
te hebben uitgeslepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitslijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te slijpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen slijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal slijpen bijzin, toekomende tijd
uit zou slijpen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden slijpen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt slijpen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen slijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen slijpen bijzin, toekomende tijd
uit zult slijpen bijzin, toekomende tijd
uitgeslepen verleden tijd, deelwoord
uitgeslepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeslepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsleep bijzin, verleden tijd
uitsleept bijzin, verleden tijd
uitslepen bijzin, verleden tijd
uitslijp bijzin, tegenwoordige tijd
uitslijpend onvoltooid, deelwoord
uitslijpt bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitslijpen bijzin, toekomende tijd
zou uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitslijpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitslijpen uit zou(dt) slijpen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitslijpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeslepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitslijpen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitslijpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitslijpen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeslepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitslijpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitslijpen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitslijpen uit zult/zal slijpen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en slijpen ww

Woordfamilie van uitslijpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
slijp uit gebiedende wijs uitslijpen
slijpe uit woordvorm uitslijpen
slijpen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitslijpen
slijpt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitslijpen
uitgeslepen voltooid deelwoord uitslijpen
uitslijp subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslijpen
uitslijpe with-subordinate-clause uitslijpen
uitslijpend onvoltooid deelwoord uitslijpen
uitslijpende woordvorm uitslijpen
uitslijpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslijpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslijpen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitslijpen

Wat is de betekenis van uitslijpen?
Uitslijpen is een werkwoord. De betekenis is: door middel van slijpen een vorm ergens uit krijgen.
Hoe vervoeg ik uitslijpen?
Zo vervoeg je uitslijpen zo: het voltooid deelwoord is uitgeslepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitslijpen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitslijpen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. I 2
  7. J 4
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitslijpen in het kort

uitslijpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitslijpen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitslijpen bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitslijpen: door middel van slijpen een vorm ergens uit krijgen.
Deel uitslijpen — standaardnederlands.nl