Naar de inhoud

uitslepen

iets naar buiten slepen.

uitslepen

werkwoord

Betekenis

  1. iets naar buiten slepen.
  2. iets weten te bemachtigen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van uitslepen

uitslepenhele werkwoord — sleepte uitverleden tijd enkelvoud — sleepten uitverleden tijd meervoud — uitgesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep uit sleepte uit
jij sleept uit sleepte uit
hij, zij, het sleept uit sleepte uit
wij slepen uit sleepten uit
jullie slepen uit sleepten uit
zij slepen uit sleepten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep uit gebiedende wijs
sleepte uit verleden tijd
te hebben uitgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal slepen bijzin, toekomende tijd
uit zou slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen slepen bijzin, toekomende tijd
uit zult slepen bijzin, toekomende tijd
uitgesleept verleden tijd, deelwoord
uitgesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsleep bijzin, tegenwoordige tijd
uitsleept bijzin, tegenwoordige tijd
uitsleepte bijzin, verleden tijd
uitsleepten bijzin, verleden tijd
uitslepend onvoltooid, deelwoord
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitslepen bijzin, toekomende tijd
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitslepen uit zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitslepen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitslepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitslepen uit zult/zal slepen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitslijpen

Vervoeging van uitslepen

uitslepenhele werkwoord — sleepte uitverleden tijd enkelvoud — sleepten uitverleden tijd meervoud — uitgesleeptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sleep uit sleepte uit
jij sleept uit sleepte uit
hij, zij, het sleept uit sleepte uit
wij slepen uit sleepten uit
jullie slepen uit sleepten uit
zij slepen uit sleepten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesleept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesleept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesleept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sleep uit gebiedende wijs
sleepte uit verleden tijd
te hebben uitgesleept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te slepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal slepen bijzin, toekomende tijd
uit zou slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt slepen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen slepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen slepen bijzin, toekomende tijd
uit zult slepen bijzin, toekomende tijd
uitgesleept verleden tijd, deelwoord
uitgesleept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesleept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsleep bijzin, tegenwoordige tijd
uitsleept bijzin, tegenwoordige tijd
uitsleepte bijzin, verleden tijd
uitsleepten bijzin, verleden tijd
uitslepend onvoltooid, deelwoord
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitslepen bijzin, toekomende tijd
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitslepen uit zou(dt) slepen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesleept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitslepen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitslepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitslepen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesleept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitslepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitslepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitslepen uit zult/zal slepen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en slepen ww

Woordfamilie van uitslepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sleept uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitslepen
sleepte uit verleden tijd uitslepen
sleepten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitslepen
slepe uit woordvorm uitslepen
uitgesleept voltooid deelwoord uitslepen
uitsleept subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitslepen
uitsleepte subordinate-clause, verleden tijd uitslepen
uitsleepten subordinate-clause, verleden tijd uitslepen
uitslepe with-subordinate-clause uitslepen
uitslepend onvoltooid deelwoord uitslepen
uitslepende woordvorm uitslepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitslepen

Wat betekent uitslepen?
Uitslepen is een werkwoord. Het woord betekent: iets naar buiten slepen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitslepen?
Je vervoegt uitslepen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgesleept. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitslepen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitslepen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitslepen in het kort

uitslepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitslepen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitslepen bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitslepen: iets naar buiten slepen.
Deel uitslepen — standaardnederlands.nl