Naar de inhoud

uitsliepen

uitschelden.

uitsliepen

werkwoord

Betekenis

  1. uitschelden.
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van uitsliepen

uitsliepenhele werkwoord — sliepte uitverleden tijd enkelvoud — sliepten uitverleden tijd meervoud — uitgeslieptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sliep uit sliepte uit
jij sliept uit sliepte uit
hij, zij, het sliept uit sliepte uit
wij sliepen uit sliepten uit
jullie sliepen uit sliepten uit
zij sliepen uit sliepten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesliept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sliep uit gebiedende wijs
sliepte uit verleden tijd
te hebben uitgesliept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te sliepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen sliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal sliepen bijzin, toekomende tijd
uit zou sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen sliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen sliepen bijzin, toekomende tijd
uit zult sliepen bijzin, toekomende tijd
uitgesliept verleden tijd, deelwoord
uitgesliept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesliept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsliep bijzin, tegenwoordige tijd
uitsliepend onvoltooid, deelwoord
uitsliept bijzin, tegenwoordige tijd
uitsliepte bijzin, verleden tijd
uitsliepten bijzin, verleden tijd
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsliepen uit zou(dt) sliepen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitsliepen uit zult/zal sliepen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitslapen

Vervoeging van uitsliepen

uitsliepenhele werkwoord — sliepte uitverleden tijd enkelvoud — sliepten uitverleden tijd meervoud — uitgeslieptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sliep uit sliepte uit
jij sliept uit sliepte uit
hij, zij, het sliept uit sliepte uit
wij sliepen uit sliepten uit
jullie sliepen uit sliepten uit
zij sliepen uit sliepten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesliept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesliept voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesliept voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesliept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesliept voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sliep uit gebiedende wijs
sliepte uit verleden tijd
te hebben uitgesliept actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te sliepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen sliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal sliepen bijzin, toekomende tijd
uit zou sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt sliepen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen sliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen sliepen bijzin, toekomende tijd
uit zult sliepen bijzin, toekomende tijd
uitgesliept verleden tijd, deelwoord
uitgesliept te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesliept zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsliep bijzin, tegenwoordige tijd
uitsliepend onvoltooid, deelwoord
uitsliept bijzin, tegenwoordige tijd
uitsliepte bijzin, verleden tijd
uitsliepten bijzin, verleden tijd
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsliepen uit zou(dt) sliepen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesliept hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsliepen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsliepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesliept hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitsliepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitsliepen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitsliepen uit zult/zal sliepen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘bespotten door met de wijsvingers over elkaar te strijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1772

Woordfamilie van uitsliepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sliepe uit woordvorm uitsliepen
sliept uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitsliepen
sliepte uit verleden tijd uitsliepen
sliepten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsliepen
uitgesliept voltooid deelwoord uitsliepen
uitgesliepte woordvorm uitsliepen
uitsliepe with-subordinate-clause uitsliepen
uitsliepend onvoltooid deelwoord uitsliepen
uitsliepende woordvorm uitsliepen
uitsliept subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsliepen
uitsliepte subordinate-clause, verleden tijd uitsliepen
uitsliepten subordinate-clause, verleden tijd uitsliepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsliepen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitsliepen

Wat is de betekenis van uitsliepen?
Uitsliepen is een werkwoord. De betekenis is: uitschelden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitsliepen?
Zo vervoeg je uitsliepen zo: het voltooid deelwoord is uitgesliept. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsliepen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. I 1
  7. E 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsliepen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. L 3
  6. I 2
  7. E 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsliepen in het kort

uitsliepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitsliepen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitsliepen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitsliepen: uitschelden.
Deel uitsliepen — standaardnederlands.nl