uitslag
zelfstandig naamwoord /'œɪtslɑχ/Betekenis
- afloop (van een wedstrijd), resultaat (van een onderzoek, een examen of een raadpleging)
- aanslag (ten gevolge van vocht op of in een muur) die van binnenuit komt.
- uiterlijk zichtbare ziekteverschijnselen van de huid
Hoe spreek je uitslag uit?
/ˈœɪtslɑx/
Uitslag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œ | oeuvre |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- niet meer herdijkt stuk land na een overstroming, of veel later opnieuw bedijkte polder
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitslagen | meervoud |
| uitslagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitslagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands uteslach, op te vatten als samenstelling van uit bw en slag zn **[1] in de betekenis van ‘afloop, resultaat’ aangetroffen vanaf 1525
Woordfamilie van uitslag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitslagen | meervoud | uitslag |
| uitslagje | verkleinwoord | uitslag |
| uitslagjes | verkleinwoord meervoud | uitslag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitslag zijn vastgelegd.