Naar de inhoud

uitrichten

ten uitvoer brengen, uitvoeren, doen, maken

uitrichten

werkwoord

Betekenis

  1. ten uitvoer brengen, uitvoeren, doen, maken
  2. iets op zijn juiste plaats brengen of in zijn juiste stand zetten

Vervoeging van uitrichten

uitrichtenhele werkwoord — richtte uitverleden tijd enkelvoud — richtten uitverleden tijd meervoud — uitgerichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik richt uit richtte uit
jij richt uit richtte uit
hij, zij, het richt uit richtte uit
wij richten uit richtten uit
jullie richten uit richtten uit
zij richten uit richtten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgericht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgericht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgericht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgericht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgericht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgericht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
richt uit gebiedende wijs
richtte uit verleden tijd
te hebben uitgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te richten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal richten bijzin, toekomende tijd
uit zou richten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden richten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt richten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen richten bijzin, toekomende tijd
uit zult richten bijzin, toekomende tijd
uitgericht verleden tijd, deelwoord
uitgericht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgericht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgericht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgericht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgericht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgericht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgericht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgericht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgericht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgericht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitricht bijzin, tegenwoordige tijd
uitrichtend onvoltooid, deelwoord
uitrichtte bijzin, verleden tijd
uitrichtten bijzin, verleden tijd
waart uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitrichten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitrichten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitrichten uit zou(dt) richten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitrichten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitrichten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgericht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitrichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitrichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitrichten bijzin, toekomende tijd
zult uitgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en richten

Woordfamilie van uitrichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
richt uit gebiedende wijs uitrichten
richte uit woordvorm uitrichten
richten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitrichten
richtte uit verleden tijd uitrichten
richtten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitrichten
uitgericht voltooid deelwoord uitrichten
uitgerichte woordvorm uitrichten
uitricht subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrichten
uitrichte with-subordinate-clause uitrichten
uitrichtend onvoltooid deelwoord uitrichten
uitrichtende woordvorm uitrichten
uitrichtte subordinate-clause, verleden tijd uitrichten
uitrichtten subordinate-clause, verleden tijd uitrichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrichten zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitrichten

Wat is de betekenis van uitrichten?
Uitrichten is een werkwoord. De betekenis is: ten uitvoer brengen, uitvoeren, doen, maken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitrichten?
Zo vervoeg je uitrichten zo: het voltooid deelwoord is uitgericht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitrichten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. I 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitrichten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. I 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitrichten in het kort

uitrichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitrichten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitrichten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitrichten: ten uitvoer brengen, uitvoeren, doen, maken
Deel uitrichten — standaardnederlands.nl