uitrijden
werkwoord ˈœytrɛidə(n)Betekenis
- rijdend weggaan, rijden verlaten
- rijdend voltooien
Hoe spreek je uitrijden uit?
/ˈœytrɛidən/
Uitrijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitrijden
uitrijdenhele werkwoord — reed uitverleden tijd enkelvoud — reden uitverleden tijd meervoud — uitgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij uit | reed uit |
| jij | rijdt uit | reed uit |
| hij, zij, het | rijdt uit | reed uit |
| wij | rijden uit | reden uit |
| jullie | rijden uit | reden uit |
| zij | rijden uit | reden uit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. rij uit/ rijd uit | gebiedende wijs |
| had uitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed uit | verleden tijd |
| te hebben uitgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgereden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitreden | bijzin, verleden tijd |
| uitreed | bijzin, verleden tijd |
| uitreedt | bijzin, verleden tijd |
| uitrij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| uitrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitrijden uit zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitrijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en rijden
Woordfamilie van uitrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rij uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | uitrijden |
| rijd uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | uitrijden |
| rijde uit | woordvorm | uitrijden |
| rijden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitrijden |
| rijdt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitrijden |
| uitgereden | voltooid deelwoord | uitrijden |
| uitrij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrijden |
| uitrijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrijden |
| uitrijde | with-subordinate-clause | uitrijden |
| uitrijdend | onvoltooid deelwoord | uitrijden |
| uitrijdende | woordvorm | uitrijden |
| uitrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrijden zijn vastgelegd.