uitproesten
werkwoordBetekenis
- plotseling uitbarsten in lachen (nadat men die lach eerst heeft proberen binnen te houden)
Vervoeging van uitproesten
uitproestenhele werkwoord — proestte uitverleden tijd enkelvoud — proestten uitverleden tijd meervoud — uitgeproestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | proest uit | proestte uit |
| jij | proest uit | proestte uit |
| hij, zij, het | proest uit | proestte uit |
| wij | proesten uit | proestten uit |
| jullie | proesten uit | proestten uit |
| zij | proesten uit | proestten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgeproest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeproest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeproest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeproest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeproest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeproest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeproest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeproest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeproest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| proest uit | gebiedende wijs |
| proestte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgeproest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitproesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te proesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen proesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal proesten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou proesten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden proesten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt proesten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen proesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen proesten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult proesten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeproest | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeproest te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeproest te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeproest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeproest te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeproest te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeproest worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeproest zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeproest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeproest zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeproest zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitproest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitproestend | onvoltooid, deelwoord |
| uitproestte | bijzin, verleden tijd |
| uitproestten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeproest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeproest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeproest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgeproest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgeproest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeproest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitproesten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeproest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitproesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitproesten uit zou(dt) proesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitproesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeproest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeproest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitproesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeproest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeproest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeproest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitproesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitproesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitproesten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeproest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgeproest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en proesten ww
Woordfamilie van uitproesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| proest uit | gebiedende wijs | uitproesten |
| proeste uit | woordvorm | uitproesten |
| proesten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitproesten |
| proestte uit | verleden tijd | uitproesten |
| proestten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitproesten |
| uitgeproest | voltooid deelwoord | uitproesten |
| uitgeproeste | woordvorm | uitproesten |
| uitproest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitproesten |
| uitproeste | with-subordinate-clause | uitproesten |
| uitproestend | onvoltooid deelwoord | uitproesten |
| uitproestende | woordvorm | uitproesten |
| uitproestte | subordinate-clause, verleden tijd | uitproesten |
| uitproestten | subordinate-clause, verleden tijd | uitproesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitproesten zijn vastgelegd.