uittesten
werkwoordBetekenis
- bezien hoe iets onder verschillende omstandigheden functioneert
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van uittesten
uittestenhele werkwoord — testte uitverleden tijd enkelvoud — testten uitverleden tijd meervoud — uitgetestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | test uit | testte uit |
| jij | test uit | testte uit |
| hij, zij, het | test uit | testte uit |
| wij | testen uit | testten uit |
| jullie | testen uit | testten uit |
| zij | testen uit | testten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgetest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgetest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgetest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgetest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgetest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgetest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgetest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgetest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgetest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgetest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgetest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgetest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgetest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgetest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uittesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| test uit | gebiedende wijs |
| testte uit | verleden tijd |
| uit te testen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen testen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal testen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou testen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden testen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt testen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen testen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen testen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult testen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgetest | verleden tijd, deelwoord |
| uitgetest te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgetest te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgetest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetest te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetest te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetest worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgetest zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgetest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgetest zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgetest zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uittest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uittestend | onvoltooid, deelwoord |
| uittestte | bijzin, verleden tijd |
| uittestten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgetest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgetest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgetest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgetest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgetest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uittesten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgetest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uittesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uittesten uit zou(dt) testen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uittesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgetest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgetest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uittesten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgetest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgetest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgetest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uittesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uittesten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uittesten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgetest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgetest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en testen ww
Woordfamilie van uittesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| test uit | gebiedende wijs | uittesten |
| teste uit | woordvorm | uittesten |
| testen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uittesten |
| testte uit | verleden tijd | uittesten |
| testten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uittesten |
| uitgetest | voltooid deelwoord | uittesten |
| uitgeteste | woordvorm | uittesten |
| uittest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uittesten |
| uitteste | with-subordinate-clause | uittesten |
| uittestend | onvoltooid deelwoord | uittesten |
| uittestende | woordvorm | uittesten |
| uittestte | subordinate-clause, verleden tijd | uittesten |
| uittestten | subordinate-clause, verleden tijd | uittesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittesten zijn vastgelegd.