uiteengaan
werkwoord œytˈeŋɣanBetekenis
- niet langer verdergaan, samengaan of samenblijven
Hoe spreek je uiteengaan uit?
/œytˈeŋxan/
Uiteengaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| e | veel |
| ŋ | ding |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uiteengaan
uiteengaanhele werkwoord — ging uiteenverleden tijd enkelvoud — gingen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga uiteen | ging uiteen |
| jij | gaat uiteen | ging uiteen |
| hij, zij, het | gaat uiteen | ging uiteen |
| wij | gaan uiteen | gingen uiteen |
| jullie | gaan uiteen | gingen uiteen |
| zij | gaan uiteen | gingen uiteen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga uiteen | gebiedende wijs |
| ging uiteen | verleden tijd |
| is uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uiteengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteenga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteengaand | onvoltooid, deelwoord |
| uiteengaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteengegaan | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenging | bijzin, verleden tijd |
| uiteengingen | bijzin, verleden tijd |
| waart uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uiteengegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uiteengaan uiteen zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteengaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uiteengaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uiteengaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteengaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal uiteengaan uiteen zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en gaan ww
Woordfamilie van uiteengaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga uiteen | gebiedende wijs | uiteengaan |
| gaan uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteengaan |
| gaat uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteengaan |
| ging uiteen | verleden tijd | uiteengaan |
| gingen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteengaan |
| uiteenga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteengaan |
| uiteengaand | onvoltooid deelwoord | uiteengaan |
| uiteengaande | woordvorm | uiteengaan |
| uiteengaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteengaan |
| uiteengegaan | voltooid deelwoord | uiteengaan |
| uiteenging | subordinate-clause, verleden tijd | uiteengaan |
| uiteengingen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteengaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteengaan zijn vastgelegd.