uiteenjagen
werkwoordBetekenis
- met gebruik van geweld verspreiden
Vervoeging van uiteenjagen
uiteenjagenhele werkwoord — jaagde uiteenverleden tijd enkelvoud — jaagden uiteenverleden tijd meervoud — uiteengejaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jaag uiteen | jaagde uiteen |
| jij | jaagt uiteen | jaagde uiteen |
| hij, zij, het | jaagt uiteen | jaagde uiteen |
| wij | jagen uiteen | jaagden uiteen |
| jullie | jagen uiteen | jaagden uiteen |
| zij | jagen uiteen | jaagden uiteen |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uiteengejaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengejaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengejaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jaag uiteen | gebiedende wijs |
| jaagde uiteen | verleden tijd |
| joeg uiteen | verleden tijd |
| te hebben uiteengejaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenjagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te jagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen jagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal jagen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou jagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden jagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt jagen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen jagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen jagen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult jagen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengejaagd | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengejaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengejaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenjaag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenjaagde | bijzin, verleden tijd |
| uiteenjaagden | bijzin, verleden tijd |
| uiteenjaagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenjagend | onvoltooid, deelwoord |
| uiteenjoeg | bijzin, verleden tijd |
| uiteenjoegen | bijzin, verleden tijd |
| zal uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenjagen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenjagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenjagen uiteen zou(dt) jagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenjagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengejaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenjagen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenjagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenjagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengejaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteenjagen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteenjagen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uiteenjagen uiteen zult/zal jagen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en jagen ww
Woordfamilie van uiteenjagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jaag uiteen | gebiedende wijs | uiteenjagen |
| jaagde uiteen | verleden tijd | uiteenjagen |
| jaagden uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenjagen |
| jaagt uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteenjagen |
| jage uiteen | woordvorm | uiteenjagen |
| jagen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenjagen |
| joeg uiteen | verleden tijd | uiteenjagen |
| joegen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenjagen |
| uiteengejaagd | voltooid deelwoord | uiteenjagen |
| uiteenjaag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenjagen |
| uiteenjaagde | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenjagen |
| uiteenjaagden | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenjagen |
| uiteenjaagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenjagen |
| uiteenjage | with-subordinate-clause | uiteenjagen |
| uiteenjagend | onvoltooid deelwoord | uiteenjagen |
| uiteenjagende | woordvorm | uiteenjagen |
| uiteenjoeg | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenjagen |
| uiteenjoegen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenjagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenjagen zijn vastgelegd.