twijnen
werkwoordBetekenis
- het om elkaar heen draaien van meerdere enkelvoudige draadjes, dubbelen
Vervoeging van twijnen
twijnenhele werkwoord — twijndeverleden tijd enkelvoud — twijndenverleden tijd meervoud — getwijndvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | twijn | twijnde |
| jij | twijnt | twijnde |
| hij, zij, het | twijnt | twijnde |
| wij | twijnen | twijnden |
| jullie | twijnen | twijnden |
| zij | twijnen | twijnden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getwijnd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getwijnd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getwijnd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getwijnd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getwijnd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getwijnd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getwijnd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getwijnd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getwijnd | verleden tijd, deelwoord |
| getwijnd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getwijnd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getwijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getwijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getwijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getwijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getwijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te twijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen twijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| twijn | gebiedende wijs |
| twijnde | verleden tijd |
| twijne | aanvoegende wijs |
| twijnend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen twijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult twijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van twijn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van twijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getwijnd | voltooid deelwoord | twijnen |
| getwijnde | woordvorm | twijnen |
| twijn | gebiedende wijs | twijnen |
| twijnde | verleden tijd | twijnen |
| twijnden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | twijnen |
| twijne | aanvoegende wijs | twijnen |
| twijnend | onvoltooid deelwoord | twijnen |
| twijnende | woordvorm | twijnen |
| twijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | twijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van twijnen zijn vastgelegd.