dimmen
werkwoord /ˈdɪmə(n)/Betekenis
- de autoverlichting zo schakelen dat tegenliggers niet verblind worden (door over te gaan van groot- op dimlicht)
- zo instellen van verlichting dat het lichtniveau minder fel en daardoor aangenamer is
- rustig aan doen
Hoe spreek je dimmen uit?
/ˈdɪmən/
Dimmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van dimmen
dimmenhele werkwoord — dimdeverleden tijd enkelvoud — dimdenverleden tijd meervoud — gedimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dim | dimde |
| jij | dimt | dimde |
| hij, zij, het | dimt | dimde |
| wij | dimmen | dimden |
| jullie | dimmen | dimden |
| zij | dimmen | dimden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dim | gebiedende wijs |
| dimde | verleden tijd |
| dimme | aanvoegende wijs |
| dimmend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedimd | verleden tijd, deelwoord |
| gedimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te dimmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen dimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen dimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult dimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘licht temperen’ voor het eerst aangetroffen in 1934
Woordfamilie van dimmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dim | gebiedende wijs | dimmen |
| dimde | verleden tijd | dimmen |
| dimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | dimmen |
| dimme | aanvoegende wijs | dimmen |
| dimmend | onvoltooid deelwoord | dimmen |
| dimmende | woordvorm | dimmen |
| dimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | dimmen |
| gedimd | voltooid deelwoord | dimmen |
| gedimde | woordvorm | dimmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dimmen zijn vastgelegd.