klimmen
werkwoord ˈklɪmə(n)Betekenis
- bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
- stijgen, omhooggaan
Hoe spreek je klimmen uit?
/ˈklɪmən/
Klimmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van klimmen
klimmenhele werkwoord — klomverleden tijd enkelvoud — klommenverleden tijd meervoud — geklommenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klim | klom |
| jij | klimt | klom |
| hij, zij, het | klimt | klom |
| wij | klimmen | klommen |
| jullie | klimmen | klommen |
| zij | klimmen | klommen |
Alle 28 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geklommen | verleden tijd, deelwoord |
| geklommen te zullen zijn/hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geklommen zullen zijn/hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geklommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| klim | gebiedende wijs |
| klimme | aanvoegende wijs |
| klimmend | onvoltooid, deelwoord |
| klom | verleden tijd |
| te klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn/hebben geklommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geklommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult klimmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘klauteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van klimmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geklommen | voltooid deelwoord | klimmen |
| klimme | aanvoegende wijs | klimmen |
| klimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | klimmen |
| klom | verleden tijd | klimmen |
| klommen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | klimmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klimmen zijn vastgelegd.