trijsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtrɛisə(n)Betekenis
- met behulp van een takel omhoog brengen
Hoe spreek je trijsen uit?
/ˈtrɛisən/
Trijsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van trijsen
trijsenhele werkwoord — trijsteverleden tijd enkelvoud — trijstenverleden tijd meervoud — getrijstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trijs | trijste |
| jij | trijst | trijste |
| hij, zij, het | trijst | trijste |
| wij | trijsen | trijsten |
| jullie | trijsen | trijsten |
| zij | trijsen | trijsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getrijst | verleden tijd, deelwoord |
| getrijst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrijst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrijst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrijst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrijst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrijst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrijst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrijst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrijst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrijst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrijst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrijst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trijsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trijsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trijs | gebiedende wijs |
| trijse | aanvoegende wijs |
| trijsend | onvoltooid, deelwoord |
| trijste | verleden tijd |
| zal getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrijst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trijsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrijst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trijsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord trijs
Herkomst
zn: van Middelnederlands trisen ww ; op te vatten afleiding van trijs zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van trijsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrijst | voltooid deelwoord | trijsen |
| getrijste | woordvorm | trijsen |
| trijse | aanvoegende wijs | trijsen |
| trijsend | onvoltooid deelwoord | trijsen |
| trijsende | woordvorm | trijsen |
| trijst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trijsen |
| trijste | verleden tijd | trijsen |
| trijsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trijsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trijsen zijn vastgelegd.