triktrak
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- spel, gespeeld op een dubbel bord waarop vakken in den vorm van punten zijn aangegeven, een aantal damschijven en een stel dobbelstenen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| triktrakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van triktrakken
- gebiedende wijs van triktrakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van triktrakken
Vervoeging van triktrak
triktrakhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spel met dobbelstenen’ voor het eerst aangetroffen in 1693
Woordfamilie van triktrak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| triktrakken | meervoud | triktrak |
| getriktrakt | woordvorm | triktrakken |
| triktrakke | woordvorm | triktrakken |
| triktrakkend | woordvorm | triktrakken |
| triktrakkende | woordvorm | triktrakken |
| triktrakt | woordvorm | triktrakken |
| triktrakte | woordvorm | triktrakken |
| triktrakten | woordvorm | triktrakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van triktrak zijn vastgelegd.