tolk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtɔlᵊkBetekenis
- een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
- spreker, woordvoerder
Hoe spreek je tolk uit?
/ˈtɔlək/
Tolk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɔ | bot |
| l | land |
| ə | de |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tolken | meervoud |
| tolkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tolkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tolken
- gebiedende wijs van tolken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tolken
Vervoeging van tolk
tolkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘mondeling vertaler’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van tolk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tolkje | verkleinwoord | tolk |
| tolkjes | verkleinwoord meervoud | tolk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tolk zijn vastgelegd.