kolk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɔlᵊkBetekenis
- een slurfvormige draaiing, met name in een watermassa
- diepe kuil, plas of put gevuld met water
Hoe spreek je kolk uit?
/ˈkɔlək/
Kolk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kolken | meervoud |
| kolkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kolkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kolken
- gebiedende wijs van kolken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kolken
Vervoeging van kolk
kolkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘maalstroom’ voor het eerst aangetroffen in 1389
Woordfamilie van kolk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kolkje | verkleinwoord | kolk |
| kolkjes | verkleinwoord meervoud | kolk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kolk zijn vastgelegd.