Naar de inhoud

toevallen

bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen

toevallen is meer dan één woord

toevallen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen
  2. dichtvallen

Vervoeging van toevallen

toevallenhele werkwoord — viel toeverleden tijd enkelvoud — vielen toeverleden tijd meervoud — toegevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val toe viel toe
jij valt toe viel toe
hij, zij, het valt toe viel toe
wij vallen toe vielen toe
jullie vallen toe vielen toe
zij vallen toe vielen toe
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn toegevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
toe te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toe zal vallen bijzin, toekomende tijd
toe zou vallen bijzin, voorwaardelijk
toe zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
toe zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
toe zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
toe zullen vallen bijzin, toekomende tijd
toe zult vallen bijzin, toekomende tijd
toegevallen verleden tijd, deelwoord
toegevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
toegevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
toeval bijzin, tegenwoordige tijd
toevallend onvoltooid, deelwoord
toevalt bijzin, tegenwoordige tijd
toeviel bijzin, verleden tijd
toevielen bijzin, verleden tijd
val toe gebiedende wijs
viel toe verleden tijd
waart toegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren toegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren toegevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was toegevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was toegevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was toegevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal toevallen bijzin, toekomende tijd
zijn toegevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt toegevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou toevallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) toevallen toe zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden toevallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt toegevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt toevallen bijzin, voorwaardelijk
zullen toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toevallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen toevallen bijzin, toekomende tijd
zult toegevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult toevallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult toevallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal toevallen toe zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord toeval

Herkomst

samenstelling van toe en vallen

Woordfamilie van toevallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
toegevallen voltooid deelwoord toevallen
toevalle with-subordinate-clause toevallen
toevallend onvoltooid deelwoord toevallen
toevallende woordvorm toevallen
toevalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd toevallen
toeviel subordinate-clause, verleden tijd toevallen
toevielen subordinate-clause, verleden tijd toevallen
val toe gebiedende wijs toevallen
valle toe woordvorm toevallen
vallen toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon toevallen
valt toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon toevallen
viel toe verleden tijd toevallen
vielen toe aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toevallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toevallen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over toevallen

Wat betekent toevallen?
Toevallen is een werkwoord. Het woord betekent: bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je toevallen?
Je vervoegt toevallen als volgt: het voltooid deelwoord is toegevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toevallen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toevallen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

toevallen in het kort

toevallen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van toevallen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort toevallen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

toevallen: bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen
Deel toevallen — standaardnederlands.nl