toevallen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bedeeld worden met, ten deel vallen, ontvangen, krijgen
- dichtvallen
Vervoeging van toevallen
toevallenhele werkwoord — viel toeverleden tijd enkelvoud — vielen toeverleden tijd meervoud — toegevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val toe | viel toe |
| jij | valt toe | viel toe |
| hij, zij, het | valt toe | viel toe |
| wij | vallen toe | vielen toe |
| jullie | vallen toe | vielen toe |
| zij | vallen toe | vielen toe |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn toegevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen toevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| toe te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toe zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| toe zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toe zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| toe zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| toegevallen | verleden tijd, deelwoord |
| toegevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| toegevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| toeval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toevallend | onvoltooid, deelwoord |
| toevalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| toeviel | bijzin, verleden tijd |
| toevielen | bijzin, verleden tijd |
| val toe | gebiedende wijs |
| viel toe | verleden tijd |
| waart toegevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren toegevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren toegevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was toegevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was toegevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was toegevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal toevallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn toegevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt toegevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou toevallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) toevallen toe zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden toevallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt toegevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt toevallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen toevallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen toevallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult toegevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult toevallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult toevallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal toevallen toe zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord toeval
Herkomst
samenstelling van toe en vallen
Woordfamilie van toevallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toegevallen | voltooid deelwoord | toevallen |
| toevalle | with-subordinate-clause | toevallen |
| toevallend | onvoltooid deelwoord | toevallen |
| toevallende | woordvorm | toevallen |
| toevalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | toevallen |
| toeviel | subordinate-clause, verleden tijd | toevallen |
| toevielen | subordinate-clause, verleden tijd | toevallen |
| val toe | gebiedende wijs | toevallen |
| valle toe | woordvorm | toevallen |
| vallen toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | toevallen |
| valt toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | toevallen |
| viel toe | verleden tijd | toevallen |
| vielen toe | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | toevallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toevallen zijn vastgelegd.