toeval
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈtuːvɑl/Betekenis
- een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
- een aanval van epilepsie
Hoe spreek je toeval uit?
/ˈtuvɑl/
Toeval bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| u | boek |
| v | vis |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- : een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest neuter
- /: een aanval van epilepsie masculine, neuter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (toevalletje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (toevalletjes) | verkleinwoord, meervoud |
| toevallen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toevallen
Vervoeging van toeval
toevalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onvoorzien geval’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van toeval
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toevalletje | woordvorm | toeval |
| toevalletjes | meervoud | toeval |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toeval zijn vastgelegd.