Naar de inhoud

suikeren

uit suiker bestaande

suikeren is meer dan één woord

suikeren

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord

Betekenis

  1. uit suiker bestaande

werkwoord

  1. met suiker zoet maken of bestrooien transitive

Vervoeging van suikeren

suikerenhele werkwoord — suikerdeverleden tijd enkelvoud — suikerdenverleden tijd meervoud — gesuikerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik suiker suikerde
jij suikert suikerde
hij, zij, het suikert suikerde
wij suikeren suikerden
jullie suikeren suikerden
zij suikeren suikerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gesuikerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesuikerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesuikerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesuikerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesuikerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesuikerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesuikerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesuikerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesuikerd verleden tijd, deelwoord
gesuikerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesuikerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gesuikerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesuikerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesuikerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesuikerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesuikerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gesuikerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesuikerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gesuikerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesuikerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesuikerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesuikerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesuikerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesuikerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
suiker gebiedende wijs
suikerde verleden tijd
suikere aanvoegende wijs
suikerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesuikerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te suikeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen suikeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesuikerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesuikerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesuikerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesuikerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesuikerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gesuikerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesuikerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesuikerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gesuikerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt suikeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen suikeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesuikerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesuikerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gesuikerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult suikeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van suikeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
suikerde verleden tijd suikeren
suikere aanvoegende wijs suikeren
suikerend onvoltooid deelwoord suikeren
suikerende woordvorm suikeren
suikert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon suikeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van suikeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over suikeren

Wat betekent suikeren?
Suikeren is een werkwoord. Het woord betekent: uit suiker bestaande. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je suikeren?
Je vervoegt suikeren als volgt: de tegenwoordige tijd is suiker, de verleden tijd is suikerde en het voltooid deelwoord is gesuikerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord suikeren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. U 4
  3. I 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

suikeren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. U 2
  3. I 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

suikeren in het kort

suikeren is zowel werkwoord als bijvoeglijk naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van suikeren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort suikeren bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

suikeren: uit suiker bestaande
Deel suikeren — standaardnederlands.nl