suiker
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- oplosbare zoetstof hoofdzakelijk verkregen uit suikerbieten en suikerriet
- een type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| suikers | meervoud |
| suikertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| suikertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suikeren
- gebiedende wijs van suikeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van suikeren
Vervoeging van suiker
suikerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zoetstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253
Woordfamilie van suiker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| suikers | meervoud | suiker |
| suikertje | verkleinwoord | suiker |
| suikertjes | verkleinwoord meervoud | suiker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van suiker zijn vastgelegd.