stift
zelfstandig naamwoord, werkwoord stɪftBetekenis
- pen, pin
- viltstift
- vulling voor een vulpotlood of ballpoint
Hoe spreek je stift uit?
/stɪft/
Stift bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — neuter
- klooster, sticht
- schot waarbij de bal een hoge boog beschrijft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stiften | meervoud |
| stiftje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stiftjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van stiften
- gebiedende wijs van stiften
Vervoeging van stift
stifthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘staafje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van stift
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stiftje | verkleinwoord | stift |
| stiftjes | verkleinwoord meervoud | stift |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stift zijn vastgelegd.