sticht
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- bisdom
- berijdbare weg tussen boerderij en straatweg
zelfstandig naamwoord — neuter
- klooster, stift
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stichten | meervoud |
| stichtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stichtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van stichten
- gebiedende wijs van stichten
Vervoeging van sticht
stichthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘klooster, bisdom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1281
Woordfamilie van sticht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stichtje | verkleinwoord | sticht |
| stichtjes | verkleinwoord meervoud | sticht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sticht zijn vastgelegd.