sterven
werkwoord ˈstɛrvə(n)Betekenis
- overgaan van levende toestand naar dode toestand
Hoe spreek je sterven uit?
/ˈstɛrvən/
Sterven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitdoven, stil worden
Vervoeging van sterven
stervenhele werkwoord — stierfverleden tijd enkelvoud — stiervenverleden tijd meervoud — gestorvenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sterf | stierf |
| jij | sterft | stierf |
| hij, zij, het | sterft | stierf |
| wij | sterven | stierven |
| jullie | sterven | stierven |
| zij | sterven | stierven |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestorven | verleden tijd, deelwoord |
| gestorven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestorven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sterf | gebiedende wijs |
| sterve | aanvoegende wijs |
| stervend | onvoltooid, deelwoord |
| stierf | verleden tijd |
| te sterven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sterven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sterven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Mogelijk van Protogermaans *sterbh. Verwant met o.a.: Oudsaksisch sterƀan, Oudhoogduits sterban, Duits sterben, Oudfries sterva, Angelsaksisch steorfan, Engels starve, Oudnoords stjarfi, Latijn torpere. In de betekenis van ‘doodgaan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van sterven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestorven | voltooid deelwoord | sterven |
| sterf | gebiedende wijs | sterven |
| sterft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sterven |
| sterve | aanvoegende wijs | sterven |
| stierf | verleden tijd | sterven |
| stierft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | sterven |
| stierven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sterven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sterven zijn vastgelegd.