trekker
zelfstandig naamwoord ˈtrɛkərBetekenis
- een truck
- een tractor
- een vuurwapenhendel
- een trekvogel
- iemand die een trektocht maakt
- een publiekstrekker
- een rubber veger
- iemand die een wissel afgeeft
- een gereedschaap waarmee men iets trekt, bijv. een kurkentrekker
Hoe spreek je trekker uit?
/ˈtrɛkər/
Trekker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als tracker.
zelfstandig naamwoord — masculine
- vrachtauto die geschikt is voor een oplegger
- landbouwvoertuig met grote achterwielen, waardoor het landbouwmachines kan voorttrekken
- mechanisme in schietwapen waardoor het buigen van de wijsvinger leidt tot het lossen van een schot
- vogel die, afhankelijk van het jaargetijde, in ver van elkaar gelegen gebieden verblijft
- iemand die een trektocht maakt, vaak voor een wat langere periode (met bijv. het doel zich uiteindelijk op een verafgelegen plek te vestigen) person
- Iets of iemand die iets voorttrekt
- iemand die of iets wat zorgt voor een veel groter aantal bezoekers; ± attractie
- iemand die een wissel [2] afgeeft
- onderdeel van bepaalde, vooral wat oudere toiletpotten waaraan na het toiletgebruik moet worden gerukt, zodat de spoelbak leegloopt en de pot schoonspoelt
- hark voor het bijeenzamelen van aren [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trekkers | meervoud |
| trekkertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trekkertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van trekken met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van trekker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trekkers | meervoud | trekker |
| trekkertje | verkleinwoord | trekker |
| trekkertjes | verkleinwoord meervoud | trekker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trekker zijn vastgelegd.